Evangelisch Lutherse Gemeenschap Gorinchem

 

- Geschiedenis van de Schuilkerk "Dit is in Abrahams Schoot" -

 

Home
Nieuws
Lutherse kerk
Luther in Gorinchem
Luther in Nederland
Liturgie
Contact & Agenda
Links


In 1572 kwam in Holland een einde aan de gevestigde heerschappij van de Katholieke Kerk. De openbare uitoefening van de katholieke godsdienst was niet meer toegestaan. De Grote of St. Maartenskerk werd bestemd voor de gereformeerde eredienst. Katholieken moesten uitwijken naar geheime plaatsen voor het houden van hun samenkomsten. Zij kwamen geregeld bijeen in een klein huisje achter een groter huis aan de Langendijk. Dit huis met de naam `dit is Abrahams Schoot´dateerde uit 1588, zoals een beschilderd uithangbord aangaf. Daarop was de naam van het huis – ontleend aan Lucas 16:22 – op eenvoudige wijze tot uitdrukking gebracht. De aartsvader Abraham was afgebeeld met op zijn schoot een ten hemel opgenomen figuur in een wit gewaad, zijnde Lazarus. Het is zelfs niet ondenkbaar, dat het kleine achterhuis in gebruik was als gebedsruimte voor de Katholieken in 1588 in het verborgene. De naam zou wel eens met opzet gekozen zijn en een verwijzing inhouden naar
de geborgenheid van de schoot der kerk voor de overgebleven parochianen.

Het achteraf staande gebouw was bereikbaar via het huis aan de Langendijk en door een schilderachtig poortje aan de Molenstraat. Tussen de huizen door leidde een smalle gang naar het achterhuis, waar in het geheim werd gekerkt. Het was een ideale plaats, want als niet erkend kerkgenootschap kon de schout met zijn dienaren wel eens onverwacht binnenvallen, maar dan was er altijd nog een vluchtweg.

Deze schuilkerk werd gewoonlijk aangeduid met de naam “Dit is in Abrahams schoot” of kortweg “Abrahams schoot”, naar het vergelegen pand aan de Langendijk. De kerk was zo toegewijd aan de H. Martinus, wat niet zo vreemd was. Immers, de schutspatroon van Gorinchem was van Oudsher St.Maarten, wiens naam voorheen aan de Grote Kerk was verbonden. Omdat de Grote Kerk in andere handen was overgegaan, werd het tot schuilkerk ingerichte gebouwtje aan de Langendijk onder bescherming van de zelfde heilige gesteld.

Die schuilkerk tussen de huizen van de Langendijk en de Molenstraat moet zeer bescheiden van omvang zijn geweest. Zij was te klein om op hoogtijdagen de toegestroomde parochianen te kunnen bevatten. Het plan rijpte toen om op de zelfde plaats een bedehuis van ruimere afmetingen te bouwen. Daar, afgeschermd van de openbare weg en omringd door huizen, werd in 1669 een kleine kerk gebouwd. Daarover ontving het stadsbestuur klachten, want het bouwen van een kerk door een niet erkend kerkgenootschap was verboden. Stadsbestuurders gingen poolshoogte nemen, maar wisten blijkbaar niet goed wat ze ermee aan moesten. Er bestonden nu eenmaal voorschriften, die het belijden van een andere religie dan de gereformeerde moeilijk maakte. De inwoners van Gorinchem waren voor het overgrote deel de gereformeerde godsdienst toegedaan, maar toch ondervonden andere kerkgenootschappen weinig of geen tegenwerking van de lokale overheid. Wellicht wilde men niet al te streng optreden, want de toenmalige pastoor Johannes Hortensius van Wevelinchoven behoorde tot een zeer vooraanstaande familie. Hij zal ongetwijfeld goede relaties hebben gehad met de stadsbestuurders.

Een inspectie volgde en de vroedschap vond dat het gebouw te veel op een kerk leek. Aanpassingen volgden en na een jaar bij een volgende inspectie waren de bezwaren niet meer aanwezig. Van buiten leek het niet meer op een kerk en inwendig werd er een betrekkelijk ruim vertrek aangetroffen, voorzien van stoelen. Over een altaar werd niet gesproken, maar zal er ongetwijfeld geweest zijn. Aan de wanden hingen schilderijen, waarschijnlijk met religieuze voorstellingen. Of er een orgel was, is niet bekend. De schuilkerk werd voortaan ongemoeid gelaten en de parochianen konden er ongestoord hun bijeenkomsten houden.

In het eerste kwart van de 18de eeuw scheidde een gedeelte van de Katholieke kerk in de Nederlanden zich af van de kerk in Rome. Het schisma had te maken met de erkenning van het pauselijk gezag. De pastoor van de schuilkerk schaarde zich aan de zijde van de kerk van Utrecht, de zgn. oud bisschoppelijke Cleresie, waaruit de oud katholieke kerk ontstond.
Zo werd de Gorcumse rooms katholieke schuilkerk geruisloos een oud katholieke kerk. Lang niet alle parochianen waren daar gelukkig mee en de meesten zochten hun heil bij de pastoor van de andere RK kerk in Gorinchem. Het laat zich raden dat de Schuilkerk een kwijnend bestaan tegemoet ging.
Het kerkje werd vervolgens ook wel aangeduid als de Jansenistenkerk, een naam ontleent aan de theoloog Cornelius Jansenius, wiens aanhangers aansluiting zochten bij de oud katholieke kerk.

Omstreeks 1810 telde Gorinchem nog slechts enkele oud-katholieke parochianen en geen oud-katholieke geestelijke meer; kerkdiensten weerden niet meer in de schuilkerk gehouden. Er hoefde toen overigens niet meer in het verborgene te worden gekerkt, omdat de Fransen in 1795 vrijheid van godsdienst hadden gebracht.

De zeer bescheiden oud-katholieke gemeente zocht vervolgens een koper voor haar onroerende eigendommen. Nu was de kerk van de Hersteld Evangelische-Lutherse gemeente aan de Havendijk in januari 1814 door een tweetal voltreffers ernstig beschadigd. Dat gebeurde tijdens een beschieting van Gorinchem, toen de stad een belegerd vesting was. Voor een bedrag van . 1.100 kocht de Hersteld Evangelisch-Lutherse gemeente in 1815 de voormalige Jansenistenkerk met het ervoor staande huis aan de Langendijk, dat in vroeger tijd als pastorie had dienst gedaan. Een gedeelte van het huis moest worden afgebroken om plaats te maken voor een open doorgang naar de kerk. Het onderaan de dijk en dus aanmerkelijk lager gelegen kerkje werd nu voor het eerst vanaf de straat zichtbaar. Voor vele inwoners van Gorinchem zal het een verrassing zijn geweest daar een kerkje te zien. In het restant van het verkochte huis aan de Langendijk zou nimmer een herberg of tapperij mogen worden gevestigd. De voormalige vluchtgang naar de Molenstraat ging eveneens in andere handen over.

Aan het gebouw moest wel het een en ander worden opgeknapt. Het was in de voorafgaande periode in gebruik geweest voor militaire doeleinden en dat kwam het gebouw niet ten goede. Het orgel werd ook onder handen genomen. Het instrument had niet veel te beduiden, want de Brabantse orgelmaker Nicolaas van Hitrum, die het in 1797 moest repareren, schreef in zijn aantekenboekje: “In dit jaar stemde en repareerde ik de orgel in de Janseniste kerk in de stat Gorkom in Hollant; een out en slegt werkie”. In de ondiepe altaarnis tegenover de ingang werd een preekstoel geplaatst en in de kerk kwamen nieuwe banken en stoelen.

Op 7 april 1816 vond de plechtige inwijding van kerkgebouw “Dit is in Abrahams Schoot” als Lutherse kerk plaats. De aankoop en inrichting van het gebouw had zoveel gekost, dat aan een algeheel herstel van het bijna 150 jaar oude pand niet kon worden gedacht. Dat zou zich wreken. Tien jaren na de ingebruikneming waren al kostbare onderhoudswerkzaamheden noodzakelijk. De houten goten van het gebouw waren veel te smal en te ondiep om tijdens een regenbui het water van het hoge pannendak snel te kunnen afvoeren. Het gevolg was geregeld overlopende goten, waardoor het hout ging rotten en wat erger was: inwaterende muren en aantasting van de balken. Nieuwe goten en reparatie van het dak en de buitenmuren werden begroot op fl. 540. De zolder moest geheel worden vernieuwd, zodat de kerk ook een nieuw plafond kreeg. De kosten voor reparatie van het orgel werden begroot op fl. 130, waarmee de totale raming der werkzaamheden op fl. 830 kwam. Een dergelijk bedrag ging de Lutherse gemeente te boven. Het aantal lidmaten in Gorinchem bedroeg 35 en in het nabijgelegen Vuren 30, maar slechts 35 waren in staat een geldelijke bijdrage te leveren. Een beroep op koning Willem I bood uitkomst, want hij stelde fl. 600 beschikbaar voor reparatie van het kerkgebouw. Al enige jaren prijkten boven de toegangsdeur de woorden:

“Aan welke plaats ik mijns naams gedachtenis geven zal,
zal ik tot u komen en zegenen”. (Exodus 20:24)

In 1842 werd een nieuw plafond in de kerk aangebracht, waarvoor de rekening van de stukadoor fl. 350 bedroeg. Vermoedelijk is toen het fraaie stucplafond aangebracht, waarin de roos, het symbool van Luther, als motief was verwerkt.

De Lutherse gemeente beschikte niet over een pastorie. In 1846 deed zich de mogelijkheid voor het huis “Het Tinnen Koelvat” aan de Molenstraat (nr. 29), dat aan de achterzijde aan de kerk grensde, voor dat doel aan te kopen. De gemeente was daardoor in staat huisvesting te bieden aan haar predikant.

Het kerkorgel verkeerde in deplorabele staat. De Rotterdamse orgelmaker W.H Kam raamde reparatie op ruim fl. 600. De kerkraad nam toen het besluiten over te gaan tot de aanschaf van een nieuw orgel met gebruikmaking van zoveel mogelijk onderdelen van het aanwezige instrument. Dit vernieuwde orgel, dat op 16 december 1860 in gebruik werd genomen kostte de kerkelijke gemeente fl. 2.250.

Vanaf de Langendijk leidde de open gang naar de lager gelegen kerk. In 1899 besloot de kerkenraad tot de bouw van een woonhuis aan de Langendijk in de open ruimte voor de kerk met vrijlating van een overbouwde toegang tot het kerkgebouw. Zo ontstond een poort als entree met een eenvoudig ijzeren hek ter afsluiting. De kerk bleef vanaf de straat wel zichtbaar, maar de zwaan op de nok van het dak, kenmerkend voor de Lutherse kerk, werd daardoor aan het oog onttrokken.

Door de jaren heen werd de bouwkundige toestand van het kerkgebouw er niet beter op. Omdat het dak in een bijzonder slechte staat verkeerde, ontstond gevaar voor instorting. Op last van de overheid moest de kerk daarom in 1950 worden gesloten. Om de benodigde financiën voor herstel te verkrijgen, werd de pastorie aan de Molenstraat verkocht. Deze bracht fl. 6000 op, maar de herstelkosten waren begroot op fl. 14.000. Er werd voor de meest voordelige oplossing gekozen door het hoge zadeldak te vervangen door een boogvormige kap. Het had tot gevolg dat het uiterlijk van het gebouw op jammerlijke wijze geweld werd aangedaan. Boven het raam in de voorgevel kwam als herinnering aan de naam een voorstelling van de aartsvader Abraham met Lazarus, in steen uitgebeeld door Marcus Ravenswaaij. De kunstenaar liet zich inspireren door het 16de-eeuws uithangbord van het huis “Dit is in Abrahams Schoot”.

Nadat de kerkdiensten tijdelijk in het Burgerkinderweeshuis waren gehouden, kon de vernieuwde kerk op 25 maart 1951 weer in gebruik worden genomen. Boven de deur stond nu te lezen:

Toch kon het nieuwe, zacht glooiende dak niet verhinderen dat het verval aan het oude gebouw voortwoekerde. Om daaraan een halt toe te roepen was in de periode van 1986 tot aan 1988 een ingrijpende restauratie noodzakelijk.

Tekst: A.J. Busch, archivaris van Gorinchem